Other Languages

More Translations

For hundreds more PRC articles in many other languages, go here.

Hoofdstuk Een Featured

Nog altijd ontvangen we vragen in verband met de plaats, die onze kinderen, de kinderen der geloovigen, innemen in Gods verbond. Wel bezien versehillende vragers de zaak, waarover ze meer licht wenschen, uit een verschillend oogpunt; de een vraagt naar den kinderdoop en een klaar be toog voor zijn Bijbelschen grond, de ander naar de vraag aangaande de zaligheid der vroeggestorven kinderen, een derde komt met de vraag naar een verklaring van het be kende woord van David, dat hij sprak bij gelegenheid van het overleden zijn van zijn kindje, een vierde wil gaarne wat meer licht over de beteekenis van Gods verbond in het alge meen; doch het is gemakkelijk te zien, dat al deze vragen feitelijk in den grond der zaak op hetzelfde neerkomen: men vraagt naar de plaats van het zaad der geloovigen in Gods verbond.

Nu is voor een Gereformeerd mensch de vraag betref fende Gods verbond met ons en onze kinderen een zeer be langrijke. Indien we uit dit oogpunt zouden willen spreken van een Jachin en Boaz in den tempel der waarheid Gods, dan zouden we zeker niet moeten spreken, zooals Prof. Van Andel dat ergens deed, van de leer der Algemeene en die der Particuliere Genade, maar wel van het stuk der Souvereine Genade Gods aan den eenen en dat van Gods verbond aan den anderen kant. Niet alsof door onze menschen de vraag betreffende de geloovigen en hun zaad in het verbond Gods juist altijd uit het oogpunt van haar leerstellig gewicht ge opperd wordt. Dit laatste is juist niet het geval. Veeleer heeft voor hen deze vraag een bij uitstek practische beteeke nis. Immers men zoekt vooral een antwoord op de vraag naar die zaligheid der vroegtijdig gestorven kinderen des verbonds. Zijn de kinderen van geloovige ouders, die in hunne kindsch heid sterven, die door den Heere worden weg genomen eer ze nog tot jaren des onderscheids gekomen zijn, voor zalig te houden, ja dan neen? Veel, dat geschreven en gesproken werd in het verleden over deze kwestie, kwam altijd weer voort uit die practische vraag naar de zaligheid van de kinderen der geloovigen. Zelfs zijn er, die er zeer sterk op staan, om op die vraag een positief antwoord te hebben. Voor hen hangt de leer van Gods verbond af van het antwoord op die vraag. Ze gaan met u mee, als ge de leer van het verbond ontwikkelt, zelfs tot in bijzonderheden toe. Doch als ge aan die vraag toe zijt, en daar komt ge onvermij delijk, en ge zoudt geneigd zijn om een weifelend of ook een ontkennend antwoord te geven, ge zoudt willen zeggen, dat het uit Gods verbond in de lijn der geslachten niet met noodwendigheid volgt, dat al de vleeschelijke kinderen uit geloovige ouders zalig zijn, als God ze wegneemt in hunne prille jeugd, dan doen ze als die Friesche koning, waarvan men ons verhaalt, dat hij met het eene been in het doopwater stond, toen hij den zendeling plotseling voor de vraag plaats te of zijn ouders ook zalig waren en den hemel binnengegaan waren; en die, toen hij daarop een ontkennend antwoord ontving, zijn been weer uit het doopwater terugtrok en wei gerde gedoopt te worden. Nu is dit alles zeer goed te ver staan. De vraag naar de zaligheid onzer kinderen, die vroeg tijdig sterven, is natuurlijk een diep ingrijpende. Er zijn, zooals bekend is en zooals de ervaring dagelijks leert, een ontzettend groot aantal kinderen, die in hunne jeugd, voor namelijk in hunne prille jeugd door den Heere worden weg genomen. En de zaligheid dier kinderen ligt den ouders na aan het hart. Hieruit is het ongetwijfeld te verklaren, dat de vraag naar Gods verbond altijd weer opkomt uit het oog- punt van die vraag. Toch is het desniettemin te betreuren, dat dit het geval is. Veelal toch ging op die wijze de be spreking van Gods verbond dikwijls op in eene discussie over het zaad des verbonds en dan wel met name ov.er hunne zaligheid. Een vraag van betrekkelijk weinig leerstellige waarde, werd aldus tot hoofdvraag gesteld. En het stuk des verbonds verarmde en verwaterde ook mede door dit aldoor staren op dat eene punt.

Dit neemt niet weg, dat de verbondsgedachte wel zeer wezenlijk een der voornaamste stukken in de belijdenis der Gereformeerde kerken is en behoort te blijven. Eigenlijk is ze nog meer karakteristiek Gereformeerd dan de leer der verkiezing. Afwij king van de Gereformeerde waarheid heeft dan ook gewoonlijk plaats op een dezer twee stukken of op beide. Men begint te tornen aan de leer der Souvereine Genade Gods en wijkt af naar den kant van het Remon strantisme. Of men verstaat niet meer het verbond Gods met zijn yolk en begint af te wijken naar de zijde van het Baptisme. Natuurlijk valt dit laatste gemakkelijker naar mate de gemeente des Heeren minder onderlegd is in de waarheid Gods. Men verachtert in de kennis van Gods Woord. Men verstaat eigenlijk zijn eigen belijdenis niet meer. Voor een tijd leeft men dan nog uit sleur of ge woonte mee. Men biedt zijn kinderen nog ten doop aan, en men luistert nog werktuigelijk naar het voorlezen van het Doopsformulier. Strijd heeft men eigenlijk niet. Men leeft en drijft op de traditie. Doch bij ernstige zielenkan dit toch niet lang zoo voortduren. Men moet rekenschap hebben en geven van de waarheid. Men komt plotse]ing op de een of andere wijze voor de ernstige vraag van den kin derdoop. En men bemerkt tot zijn eigen ontsteltenis, dat men eigenlijk zichzelf nooit rekenschap gaf van de beteeke nis van en den grand voor den doop der kleinen in Gods ge meente. Komt daar dan geen licht, het zoozeer begeerde licht, licht, dat oak werkelijk licht heeten kan, licht uit de Schrift, dan is het eenige gevolg, dat zulke ernstige zielen, liever dan hun geweten geweld aan te doen, zich aansluiten. bij de een of andere Baptistische kerkgemeenschap. Ze zijn voor de Gereformeerde waarheid verloren, en een der kost baarste stukken der belijdenis hebben ze prijs gegeven. En dat dit metterdaad geen abstracte teekening maar tastbare werkelijkheid is, leert de geschiedenis en die dagelijksche ervaring. Velen in de Gereformeerde kerken loopen altijd nog met de vraag in hun ziel, hoe ze Gods verbond ten op zichte van hunne kinderen hebben te beschouwen. Velen, die in de G reformeerde kerken blijven, maar eigenlijk nit overtuiging ten voIle baptist zijn. En niet weinigen zijn er ook, die zich openlijk bij de baptisten voegen en breken met de Gereformeerde kerken. Het is dus van het grootste be- lang, dat we onze belijdenis ook op dit punt weer verstaan en dat we de Schriftuurlijke gedachte vatten en ontwikkelen be treffende de geloovigen met hun zaad in Gods verbond. Waarom zijn de kinderen der geloovigen in Gods verbond? In welken zin zijn ze in dat verbond? Is er ook in den kring van Gods verbond nog te onderscheiden tusschen tweekrlei zaad, of zijn alle kinderen, hoofd voor hoofd, in iin adem te noemen ? Wat is eigenlijk Gods verbond en wat is de be teekenis er van voor ons zaad? Op deze en andere vragen moeten we bereid zijn een antwoord te geven, dat op Gods Woord berust en daarom bevredigen kan. En daarom willen we aan dit onderwerp enkele artikelen wijden.

En dan moet bier aanstonds worden opgemerkt, dat er over deze zaak onder Gereformeerden zelf geen eenstemmig heid heerscht, en dat bet metterdaad niet kan worden ge zegd, dat er iin verbondsbeschouwing is, die zich uitsluitend den naam van Gereformeerd heeft verworven in onderschei- ding van andere beschouwingen. Daar is in de eerste l)laats allerlei verschil van gedachte over de verbondsgedachte zelf, afgedacht nog van de vraag aangaande de plaats, die de kin— deren eren der geloovigen in dat verbond innemen. Daar zijn er in de eerste plaats, die het wezen des verbonds zoeken in de belofte Gods: Ik zal u tot een God zijn. Zoo schrijft Prof. Heyns. Verhandelingen over het Genadeverbond, pp. 11, 12: "Hat wezen des verbonds, waardoor het is wat het is — een Genade-verbond, ligt hierin, dat het is de belofte 'om u te zijn tot een God' gegeven in den vorm van een verbond, een verbintenis. Elk verbond Gods met menschen was een belofte gegeven in den vorm van een verbond. Het werk- verbond was een belofte, de belofte des levens in den weg van gehoorzaamheid, gegeven in den vorm van een verbond. Het verbond met Noach was een belofte, die van de aarde niet weer door water te zullen verdelgen, gegeven in den vorm van een verbond. Als Petrus op den Pinksterdag met de woorden: 'u komt de belofte toe en uwen kinderen' de schare opwekt om zich te laten doopen, bedoelt hij wel meer bepaald de belofte, zooals die door Joel was vertolkt, maar dan toch die belofte als het wezen des verbonds uitmakende, want alleen als zoodanig ken deelgenootschap aan die belofte recht geven op het zegel des verbonds. Als de Catechismus in yr. 74 omschrijft wat het voor de kinderen beteekent, zoowel als de volwassenen in Gods verbond begrepen te zijn, heet het: 'dat hun door Christus' bleed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet weini ger dan de volwassenen toegezegd wordt'. En als in yr. 66 beleden wordt, dat de sacramenten zijn ingesteld door God 'opdat Hij ons door het gebruiken van dezelve de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele', is het duidelijk dat daar 'Evangelie'bedoeld wordt, als iden tisch met verbond en dat 'belo te des Evangelies' hetzelfde meet beteekenen als wezen des verbonds.

"Deel te hebben aan het wezen des verbonds wil dus zeg- gen, deel te hebben aan de belofte des verbonds; als aan ons door den doop Gods verbond verzegeld wordt, wil dit zeggen, dat aan ens deelgenootschap aan de belofte des verbonds verzegeld wordt, en dat als een belofte tot welker vervulling in den weg van blijven in het verbond (hetzelfde als blijven in Christus, Joh. 15:4) God zich verbonden heeft. En indien de Heere b.v. met Jerobeam, in weerwil van wat Hij in Zijn raad aangaande hem besloten heeft, een persoonlijk verbond kon maken als dat van I Ken. 11:38, dan is er zeker wel geen bezwaar tegen in te brengen, dat ook dezulken, die niet uit verkoren zijn deel hebben aan het wezen, d.i., aan de belofte des verbonds, als een belofte tot welker vervulling de Heere zich in den weg van blijven in het verbond formeel verbon- den heeft.

"Met betrekking tot de vraag, wat nu dit deelgenootschap aan het wezen des verbonds beteekent, welke weldaad daarmee den bondeling ten deel valt, zij opgemerkt, .dat wij tweehlei toepassing des heils te onderscheiden hebben. Beide worden genoemd in de dankzegging van het Avondmaals formulier met de woorden: 'Dat Gij uit grondelooze barmhartigheid ons uwen Eeniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden, en tot een spijze en drank des eeuwigen levens geschonken hebt, en dat Gij ons geeft een waarachtig geloof, waardoor wij zulke uwe weldaden deelachtig worden.'  Dus het 'deelachtig worden' geschiedt door het geloof en is nog iets anders dan het geschonken zijn. Evenzoo worden in vr. 74 als de twee elementen van de belofte genoemd 'de verlossing van de zonden door Christus' bloed', en 'de Heilige Geest, die het geloof werkt'. De toepassing des heils moet vooreerst die zijn van eene objectieve schenking, waardoor ons op het heil een Goddelijk recht wordt gegeven, en deze geschiedt in en door het verbond. En ten tweede moet zij zijn een subjectieve deelachtigmaking, en deze geschiedt door het geloof, of liever door den Heiligen Geest, die het geloof werkt. De eerste ontvangt elk bondeling, als bondeling in den vollen zin. Daarvan is de Doopallen, die gedoopt worden een Goddelijk zegel, 'een ontwijfelbaar getuigenis'. Wat dit inhoudt zegt ons het Doopsformulier zoo kernachtig als het ontvouwt, wat het beteekent gedoopt te worden in den naam des Vaders en in den naam des Zoons. Met de tweede, de toepassing des heils door den Heiligen Geest, of de subjectieve deelachtigmaking, staat het voor den bondeling op dezelf de wijze en tech ook niet op dezelfde wijze. Op dezelfde wijze, want gelijk hem. in het verbond vergeving der zonden en eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken wordt, d.i., hem daarop recht gegeven wordt, zoo wordt hem ook recht gegeven op de subjectieve toepassing door den Heiligen Geest (Catechismus, vr. 74). En toch ook niet op dezelfde wijze, want recht geven op vergeving der zonden en eeuwige gerechtigheid en zaligheid, is die heilsgoederen zelve te schenken, ze in ons bezit te stellen; maar recht te geven op de subjectieve toepassing door den Heiligen Geest, is nog niet die subjectieve toepassing zelve ons te geven. Op uitnemende wijze wordt ook dit weer uitgedrukt in ons Doopsformulier als het zegt, dat in den Doop ons betuigd en verzegeld wordt door den Vader, dat Hij een eeuwig verbond der genade met ons opricht, ons tot kinderen en erfgenamen aanneemt, en door den Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, maar door den Heiligen Geest, dat Hij ons tot lidmaten van Christus heiligen wil (niet heiligt), 'ons toekigenende hetgeen wij in Christus hebben'. Deel te hebben aan het wezen des verbonds wil dus voor den bondeling zeggen, in het bezit gesteld te zijn van de heilsgoederen, zooals de toepassing daarvan in en door het verbond geschiedt, en een recht ontvangen te hebben op de subjectieve deelachtigmaking des heils, zooals die door den Heiligen Geest geschiedt.

"Bij zulk een opvatting van het wezen des verbonds is er geenerlei behoefte aan de onderscheiding van een conditioneel of uitwendig verbond, waartoe het zaad der geloovigen in het algemeen zou behooren, en een absoluut of inwendig verbond, waaraan alleen de uitverkorenen deel zouden hebben. Die onderscheiding is de consequentie van een dupleurische verbondsbeschouwing, die het wezen des verbonds zoekt in het zaligmakend bezit der heilsgoederen; maar Gods Woord geeft tot die onderscheiding geen recht, en onze Belijdenisschriften evenmin. Er is verschil in de bondelingen, maar dit verschil mag niet worden ingedragen in het verbond zelf. Sommigen hebben de zaligmakende toepassing door den Heiligen Geest ontvangen, en anderen niet; de eerste zijn in den wijnstok als vruchtbare, de laatsten zijn in den wijnstok als onvruchtbare ranken. Maar al is er verschil in de ranken, de wijnstok is iin, en al is er verschil in de bondelingen, het verbond is iin."

Zoo is de beschouwing van Prof. Heyns. We hebben met opzet breed aangehaald, aan den eenen kant om den professor geen dingen te laten zeggen, die hij metterdaad niet zegt; aan den anderen kant, omdat we het hier te doen hebben met een verbondsbeschouwing, die bij velen ingang heeft gevonden, en die o.i. toch met wortel en tak dient te worden uitgeroeid. Onze reden hiervoor hopen we in een volgend nummer te geven. Als nu slechts duidelijk geworden is, wat des professor's beschouwing is. Hij vat Gods verbond louter soteriologisch op. Dat wil zeggen, voor hem is in Gods verbond de zaligheid der bondelingen het iin en het al.  Het verbond is eigenlijk een belofte tot de zaligheid. Het wezen van dat verbond is echter niet de zaligheid zelf, maar de belofte Gods, dat Hij die zaligheid wil schenken. Op die wijze tracht de professor te ontkomen aan een uit- en inwendig inzijn in Gods verbond, zooals dat zich hier historisch openbaart in de wereld. De belofte is het wezen. Die belofte nu wordt voorts, volgens Professor Heyns, aan allen en een iegelijk, die als zaad des verbonds geboren worden uit geloovige ouders, geschonken. God zegt zeer wezenlijk in Zijn verbond, dat Hij alle kinderen des verbonds, dat wil zeggen, alle zaad des verbonds in natuurlijken zin, zaligen wil. Dat is Zijn eed. Neen, nog meer. De Professor maakt niet alleen onderscheid maar ook scheiding tusschen het werk des Vaders, die Zijn eeuwig verbond opricht, en het werk des Zoons, die ons wascht met Zijn bloed aan den eenen kant, en het werk des Heiligen Geestes, die ons het heil deel achtig moet maken aan den anderen kant. Het verbond kan door den Vader met ons opgericht zijn; we kunnen Christus ingelijft zijn en door Zijn bloed gewasschen zijn; maar dat wil nog niet zeggen, dat we ook de weldaden des verbonds werkelijk deelachtig worden. De laatste hangt af van iets anders, volgens Prof. Heyns, en dat andere is, dat de bondeling verplicht is, die weldaden, die hem in het verbond werden bezworen, nu ook geloovig aan te nemen.

Hoe de professor dit alles leeren kan als Gereformeerd mensch is ons wel een raadsel. Maar tot opheldering dient hieraan ten slotte ook nog te worden toegevoegd, dat de professor ook aan alle bondelingen een zekere subjectieve genade toekent, Ze zijn niet te vergelijken met de kinderen der wereld. Ze zijn niet stekeblind en stokdoof. Neen, allen, hooft voor hoofd, en ziel voor ziel, hetzij ze uitverkoren zijn en zalig worden of niet uitverkoren zijn en niet zalig worden, ontvangen toch iets. Ze ontvangen een zeker leven, dat wel niet het leven der wedergeboorte is, maar toch leven is, Door dit leven worden ze in staat gesteld de aangeboden belofte, het wezen des verbonds, te aanvaarden en aan te nemen of te verwerpen. Zoo doende hebben ze dus een Goddelijk recht op de zaligheid, Ze hebben ook een Goddelijke belofte, die zeker en vast is, dat God hun het heil in Christus wil deelachtig maken. En ze ontvangen ook in den subjectieven zin des woords een zekere genade, een zekere macht, waardoor ze die weldaden nu ook kunnen aannemen, en den Heiligen Geest om Zijne genade kunnen bidden. (A. W., pp. 70-75.)

More in this category: « VOORWOORD Hoofdstuk Twee »

Leave a comment

back to top

Contact Details

Denomination

  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • Reading Sermon Library
  • Taped Sermon Library

Synodical Officers

  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Synodical Committees

  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • Emeritus Committee
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. 
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Contact/Missions

  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Classical Officers

Classis East
This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Classis West
This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.